| Ze kregen ook prachtige
mutsen op, met een belletje eraan.
|
![]() |
|||||
|
|
Zo moesten de kinderen hout sprokkelen | |||||
|
|
en later het hout van kort
naar lang leggen.
|
|
||||
|
|
Ze moesten de weg waar ze steentjes hadden laten vallen weer terugvinden. | |||||
|
|
Ze mochten aan 3 potjes ruiken en vertellen welk potje naar zeep rook |
|
|||
|
|
|
en dennenappels in een
kuiltje proberen te gooien.
|
|||
| Ze zochten naar kleine beestjes, die ze even in een vergrootpotje mochten stoppen. |
|
||||
|
|
|
Ze keken door gekleurde brillen | ||||
| en moesten meten hoe dik de
boom was.
|
|
|||||
|
|
|
|